Ga naar inhoud
Alle artikels
Behandelmethoden8 min leestijd24 maart 2026

Tennisarm en Golferselleboog: Oorzaken, Behandeling en Oefeningen

Alles over laterale en mediale epicondylitis - van diagnose en kinesitherapie tot excentrische oefeningen en geavanceerde behandelopties. Een klinische gids.

Jessica Van Melkebeke
Jessica Van MelkebekeMsc. Kinesitherapie & Osteopathie
Kinesitherapeutische behandeling van de elleboog bij Thrive Herzele

Wat is een tennisarm en golferselleboog?

Een tennisarm, klinisch bekend als laterale epicondylitis, is een overbelastingsletsel van de peesaanhechtingen aan de buitenzijde (laterale epicondylus) van de elleboog. De pijn ontstaat ter hoogte van de gemeenschappelijke aanhechting van de polsextensoren, de spieren die de pols en vingers strekken. Ondanks de naam treft deze aandoening lang niet alleen tennissers. Elke activiteit die herhaaldelijke grijp-, draai- of strekbewegingen van de pols vereist, kan een tennisarm veroorzaken: van computerwerk en schilderen tot tuinieren en het tillen van zware voorwerpen.

De golferselleboog, of mediale epicondylitis, is het spiegelbeeld van de tennisarm. Hier bevindt de pijn zich aan de binnenzijde (mediale epicondylus) van de elleboog, ter hoogte van de aanhechting van de polsflexoren en pronatoren, de spieren die de pols buigen en de onderarm naar binnen draaien. Ook deze aandoening is niet beperkt tot golfers: ze komt veel voor bij klimmers, werpers, gewichtheffers en mensen die intensief met hun handen werken.

Beide aandoeningen werden traditioneel beschouwd als ontstekingsziekten (vandaar de uitgang "-itis"), maar modern onderzoek toont aan dat het bij chronische gevallen eerder gaat om een tendinopathie: een degeneratief proces in de pees met desorganisatie van de collageenvezels, neovascularisatie en een verstoorde weefselhomeostase. Dit inzicht heeft belangrijke consequenties voor de behandeling: rust alleen is zelden voldoende. Een actieve aanpak met gerichte belasting is nodig om het weefsel te herstellen.

Anatomie van de elleboog: epicondylus lateralis en medialis

Om te begrijpen waarom epicondylitis zo hardnekkig kan zijn, is basiskennis van de ellebooganatomie essentieel. De elleboog is een scharniergewricht gevormd door drie botten: de bovenarmsbeen (humerus), het spaakbeen (radius) en de ellepijp (ulna). Aan de onderzijde van de humerus bevinden zich twee botknobbels: de epicondylus lateralis aan de buitenkant en de epicondylus medialis aan de binnenkant. Deze knobbels dienen als aanhechtingspunt voor de spiergroepen van de onderarm.

Op de laterale epicondylus hechten de polsextensoren aan, met als belangrijkste de musculus extensor carpi radialis brevis (ECRB). Deze spier is in meer dan 90% van de gevallen betrokken bij een tennisarm. De ECRB is bijzonder kwetsbaar omdat hij bij grijpbewegingen zowel compressie- als trekkrachten ondergaat ter hoogte van zijn aanhechting. Op de mediale epicondylus hechten de polsflexoren en de musculus pronator teres aan. Bij een golferselleboog is meestal de musculus flexor carpi radialis of de pronator teres het meest aangedaan.

Een cruciaal gegeven is dat de peesaanhechting op de epicondylus een relatief slechte doorbloeding heeft in vergelijking met de spierbuik. Dit verklaart waarom pezen trager genezen dan spieren en waarom chronische tendinopathie zo frequent voorkomt op deze locaties. Bovendien loopt de nervus radialis vlak langs de laterale epicondylus en kan de nervus ulnaris aan de mediale zijde gecomprimeerd raken; deze factoren kunnen de pijnbeleving versterken en de differentiaaldiagnose bemoeilijken.

Oorzaken en risicofactoren

Epicondylitis is bij uitstek een overbelastingsletsel: het ontstaat niet door een enkel trauma, maar door herhaalde microtraumata die de herstelmogelijkheden van de pees overschrijden. De meest voorkomende oorzaak is een repetitieve belasting van de pols- en onderarmspieren, denk aan dagenlang schilderen, intensief typen met een slechte ergonomie, herhaaldelijk draaien van een schroevendraaier, of een plotse toename in trainingsvolume bij een sport. Bij tennissers speelt vooral de backhand een rol, terwijl bij golfers de impact bij de afslagbeweging belastend is.

Naast de directe mechanische overbelasting zijn er meerdere risicofactoren die de kans op epicondylitis verhogen. Leeftijd is een belangrijke factor: de aandoening komt het vaakst voor tussen 35 en 55 jaar, wanneer de peeskwaliteit geleidelijk afneemt maar de belasting hoog blijft. Een verminderde schouderstabiliteit of scapulaire dysfunctie kan ertoe leiden dat de elleboog- en polsspieren compensatoir harder moeten werken. Een slechte werkhouding, met name langdurig werken aan een bureau met een ongunstige polspositie, is een onderschatte risicofactor. Roken vermindert de doorbloeding van peesweefsel en vertraagt het herstel.

In de praktijk zien we ook dat een tennisarm of golferselleboog zelden een zuiver lokaal probleem is. Vaak speelt er een keten van disfuncties: een stijve thoracale wervelkolom, beperkte schouderrotatie, of verhoogde spanning in de cervicale musculatuur kan de belasting op de elleboog verhogen. Daarom onderzoeken we bij kinesitherapie in Herzele altijd de volledige bovenste keten, van de nek tot de hand, om de onderliggende oorzaak in kaart te brengen en niet enkel het symptoom te behandelen.

Diagnose en differentiaaldiagnose

De diagnose van epicondylitis wordt primair klinisch gesteld op basis van een grondig lichamelijk onderzoek. Bij een tennisarm is er drukpijn op de laterale epicondylus, versterkt door weerstandstests: de test van Cozen (pijn bij geresisteerde polsextensie met gebogen elleboog), de test van Mill (pijn bij passief rekken van de extensoren met gestrekte elleboog), en grijpkrachtmeting met een dynamometer. Bij een golferselleboog wordt de pijn uitgelokt door geresisteerde polsflexie en pronatie, en is er drukpijn op de mediale epicondylus.

De differentiaaldiagnose is essentieel omdat meerdere aandoeningen elleboogpijn kunnen nabootsen. Bij laterale elleboogpijn moet gedacht worden aan radiale tunnelsyndroom (compressie van de nervus interosseus posterior), een instabiliteit van het laterale collaterale ligament, cervicale radiculopathie vanuit C5-C6, of referred pain vanuit myofasciale triggerpoints in de onderarmmusculatuur. Bij mediale elleboogpijn zijn cubitaal tunnelsyndroom (compressie van de nervus ulnaris), mediale collaterale ligamentletsels en cervicale radiculopathie vanuit C8-T1 belangrijke differentiaaldiagnosen.

Beeldvorming is in de meeste gevallen niet nodig voor de diagnose, maar kan nuttig zijn bij atypische presentaties of wanneer de klachten niet reageren op conservatieve behandeling. Echografie kan verdikking van de pees, neovascularisatie en eventuele scheurvorming aantonen. MRI wordt gereserveerd voor complexere gevallen en biedt het meest complete beeld van zowel weke delen als botpathologie. Belangrijk is dat beeldvormingsafwijkingen niet altijd correleren met symptomen; veel asymptomatische personen tonen veranderingen op echografie die wijzen op tendinopathie.

Kinesitherapie en manuele therapie bij epicondylitis

Kinesitherapie is de eerstelijnsbehandeling bij zowel tennisarm als golferselleboog en biedt het beste langetermijnresultaat van alle conservatieve opties. De aanpak is multimodaal en wordt afgestemd op de fase van de aandoening. In de acute fase (eerste 1-2 weken) ligt de focus op pijnmodulatie: relatieve rust (geen volledige immobilisatie), isometrische oefeningen die pijnverlichting bieden zonder de pees verder te belasten, en advies over activiteitenanpassing. Cryotherapie en een epicondylitisbrace kunnen in deze fase symptoomverlichting bieden.

Manuele therapie speelt een belangrijke rol in de behandeling. Mobilisatie van het radio-humerale gewricht (Mulligan-techniek "mobilisation with movement") toont in onderzoek significante pijnvermindering en verbetering van de grijpkracht. Transversale frictiemassage volgens Cyriax op de aangedane peesaanhechting kan de lokale doorbloeding stimuleren en het genezingsproces bevorderen. Myofasciale release van de onderarmmusculatuur, met name de extensorgroep bij een tennisarm, vermindert de trekkracht op de epicondylus. Wanneer er bijkomende myofasciale triggerpoints aanwezig zijn in de extensoren of flexoren, kan dry needling een krachtige aanvulling zijn om die triggerpoints te deactiveren en de lokale spierspanning te normaliseren.

Omdat epicondylitis zelden een geisoleerd lokaal probleem is, behandelen we steeds de volledige kinetische keten. Scapulaire stabilisatie-oefeningen, thoracale mobilisatie en cervicale soft tissue technieken maken standaard deel uit van ons behandelplan. De combinatie van manuele therapie met actieve oefentherapie levert betere resultaten op dan beide benaderingen afzonderlijk. Voor sommige patienten kan cupping therapie een aanvullende techniek zijn om de doorbloeding in het aangedane gebied te verbeteren en de weefselmobiliteit te optimaliseren.

Oefeningen en excentrische training

De hoeksteen van de revalidatie bij epicondylitis is een progressief oefenprogramma dat het aangedane peesweefsel geleidelijk sterker maakt. Het meest onderzochte en effectieve protocol is de excentrische oefentherapie, oefeningen waarbij de spier wordt verlengd onder belasting. Bij een tennisarm is de excentrische polsextensie de kernhefboom: zittend, met de onderarm gesteund op een tafel en de hand over de rand, wordt een licht gewicht (0,5-2 kg) langzaam neergelaten vanuit polsextensie naar flexie over een tijdspanne van circa vijf seconden. Drie sets van vijftien herhalingen, tweemaal daags, is een veelgebruikt protocol. De belasting wordt geleidelijk opgevoerd wanneer de oefening pijnvrij wordt.

Naast excentrische training is er toenemend bewijs voor het Tyler Twist protocol, een oefening met een flexbar (Theraband FlexBar) die specifiek excentrische polsextensie combineert met een draaibeweging. Studies tonen een significante vermindering van pijn en verbetering van kracht na acht weken consequent oefenen. Voor de golferselleboog wordt hetzelfde principe omgekeerd toegepast: excentrische polsflexie met geleidelijk oplopende belasting. Een isometrische fase gaat vaak aan de excentrische fase vooraf; isometrische contracties van 30-45 seconden hebben een analgetisch effect en zijn veilig in de vroege fase van de revalidatie.

Het is cruciaal dat de oefeningen correct worden uitgevoerd en dat de belasting adequaat wordt gedoseerd. Te weinig belasting leidt tot onvoldoende peesstimulatie, te veel belasting verergert de klachten. We hanteren het principe van "acceptabele pijn": een lichte pijn tijdens de oefening (maximaal 3-4 op een schaal van 10) is aanvaardbaar, mits de pijn niet verergert na de oefening en niet toeneemt van sessie tot sessie. In onze praktijk combineren we de oefentherapie altijd met een bredere aanpak, vergelijkbaar met hoe we bij sportmassage en kinesitherapie manuele technieken en actieve revalidatie integreren voor het beste resultaat.

Wanneer naar de specialist: injecties, shockwave en operatie

Het overgrote deel van de epicondylitisgevallen, ongeveer 80-90%, herstelt met conservatieve behandeling bestaande uit kinesitherapie en gerichte oefentherapie. Het herstelproces vraagt echter geduld: een gemiddelde hersteltermijn van drie tot zes maanden is realistisch, en bij chronische gevallen kan het tot twaalf maanden duren voordat de klachten volledig verdwijnen. Wanneer de klachten onvoldoende reageren op drie tot zes maanden consistente kinesitherapie, is het raadzaam om aanvullende behandelopties te overwegen in overleg met een sportarts of orthopedist.

Extracorporele shockwave therapie (ESWT) is een veelgebruikte tweedelijnsoptie. Shockwaves zijn akoestische drukgolven die op de aangedane peesaanhechting worden gericht en de lokale doorbloeding, celproliferatie en collageensynthese stimuleren. Onderzoek toont wisselende resultaten, maar de beste evidence geldt voor focale shockwave bij chronische laterale epicondylitis die niet reageert op standaard kinesitherapie. Corticosteroide injecties bieden vaak snelle pijnverlichting op de korte termijn, maar meerdere studies tonen een hoger recidiefpercentage en slechtere langetermijnresultaten in vergelijking met een afwachtend beleid of kinesitherapie. Platelet-Rich Plasma (PRP) injecties zijn een nieuwer alternatief met veelbelovende resultaten in recente trials, met name bij chronische tendinopathie.

Chirurgie wordt beschouwd als een laatste optie en is enkel geindiceerd wanneer alle conservatieve en semi-invasieve behandelingen gefaald hebben over een periode van minimaal zes tot twaalf maanden. De meest uitgevoerde ingreep is de release of debridement van de ECRB-aanhechting, al dan niet artroscopisch. De succespercentages liggen rond 80-90%, maar de postoperatieve revalidatie duurt drie tot zes maanden en omvat dezelfde principes van progressieve belasting als de conservatieve aanpak. In onze ervaring is chirurgie uitzonderlijk nodig wanneer de kinesitherapie vroeg genoeg wordt gestart en het oefenprogramma consequent wordt uitgevoerd. Een goede communicatie tussen kinesitherapeut, huisarts en specialist is essentieel om de patient de meest doeltreffende behandeling op het juiste moment te bieden.

Vragen over dit onderwerp?

Neem contact op voor een persoonlijk adviesgesprek in onze praktijk in Herzele.